
Na bijna 18 jaar als sectormanager Healthcare bij GS1 Nederland is Hans Lunenborg met pensioen gegaan. In de eerste editie van onze nieuwe rubriek blikt hij terug op wat er is bereikt, en kijkt hij vooruit naar de komende vijf jaar.
Voor de eerste editie van deze nieuwe rubriek, een interview met iemand uit het veld, konden we niet om Hans Lunenborg heen. Na bijna 18 jaar als sectormanager Healthcare bij GS1 Nederland is hij onlangs met pensioen gegaan, en er is misschien niemand die de afgelopen twee decennia van datastandaardisatie in de Nederlandse zorg zo van dichtbij heeft meegemaakt.
Hans was nauw betrokken bij de opbouw van het GS1-ecosysteem in de Nederlandse zorg, van de eerste barcodescans tot de aansluiting van alle Nederlandse ziekenhuizen op het Landelijk Implantatenregister. Hij is bovendien een van de grondleggers van het ECHO-datamodel, inmiddels gebruikt in tien landen.
"Je moet eigenlijk alleen kijken naar wat een klant wil hebben en wat de leverancier kan leveren. Die twee partijen moet je bij elkaar brengen en zorgen dat je daar overeenstemming over hebt," zegt Hans.
We spraken met Hans over wat er is bereikt, wat er nog is achtergebleven op de to-do-lijst, en waar hij hoopt dat de sector over vijf jaar staat.
De missie die Hans is begonnen, is allesbehalve klaar. Er is nog heel veel te doen in de zorg op het gebied van data, en nog heel veel winst te behalen.
"Er is nog veel te weinig verantwoordelijkheid binnen een ziekenhuis om productdata goed te borgen. Als je het in een ziekenhuis over data hebt, hebben ze het altijd over patiëntdata, de klinische data. Maar de data van het hulpmiddel zelf, daar is nauwelijks aandacht voor. Terwijl de voorzitter van de raad van bestuur formeel eindverantwoordelijk is voor de juiste data van het juiste hulpmiddel bij de juiste patiënt."
Hij trekt de vergelijking met de farmaceutische sector: "Als een apotheek een geneesmiddel bestelt, gebeurt dat met een GTIN gekoppeld aan het Z-indexnummer. Is het niet op voorraad, dan krijg je direct een signaal en kun je kiezen: nalevering of een alternatief. Bij medische hulpmiddelen werkt dat helaas nog niet zo. Sterker nog, je ziet dat dezelfde leverancier voor exact hetzelfde product soms verschillende GTIN’s gebruikt, afhankelijk van waar het geproduceerd wordt. Dat betekent dat de data niet meer schoon is, in ziekenhuissystemen die vaak geen ruimte hebben voor meerdere GTIN’s per referentienummer. Grote leveranciers zijn dit aan het veranderen, maar dat duurt nog wel een jaar of vijf."
Ondanks die kritiek is Hans oprecht trots op wat Nederland heeft opgebouwd. "Het is niet vreemd dat landen naar Nederland toe komen. Denemarken, Duitsland en zelfs Japan zijn naar Nederland gekomen om te kijken hoe wij dit doen. Vlak voor mijn pensioen had ook Noorwegen nog interesse."
Hij wijst op één document als sleutel tot dat succes:
“Ik denk dat het bij ons heel belangrijk is geweest dat we in 2017 een afsprakendocument coderen in Nederland hebben gemaakt, dat ook ondersteund werd door het ministerie. Daarin stond: we gaan met z’n allen naar een gestandaardiseerde barcode toe, en we gaan de data op een gestandaardiseerde manier uitwisselen via de GDSN-omgeving. Op basis daarvan heeft minister Schippers gezegd dat ook het implantatenregister op die manier ingericht zou worden, waardoor elk ziekenhuis zijn data vanuit GDSN moest gaan inlezen voor het aanleveren voor het implantatenregister.”
"Elk ziekenhuis heeft altijd zijn eigen oplossing bedacht. Alleen al de stap naar een gestandaardiseerde barcode kostte heel veel tijd en energie. Veel ziekenhuizen lieten dat over aan interne IT-mensen die met veel inzet aan de slag gingen, maar zonder centraal aangestuurd totaalbeeld van waar het naartoe moest. Klinische data was via HL7-berichten allang goed geregeld. Dat we dat voor medische hulpmiddelen niet voor elkaar kregen, vind ik nog steeds heel bizar. Het risico dat de invoering van een gestandaardiseerde barcode jarenlang vertraagde, ligt nu opnieuw op de loer bij productdata: wanneer iedere partij en ieder ziekenhuis de problematiek op eigen wijze probeert op te lossen, kost dat onnodig veel tijd en ontstaat er opnieuw versnippering en inconsistentie in de data."
"Dat ben ik helemaal met je eens. Wij hebben geprobeerd om daar meer structuur in aan te brengen via het ministerie. Die heeft eigenlijk gezegd: nee, dat moet de markt oplossen. Ik vind dat zelf een lastige keuze geweest. Je merkt nu wel, met de European Health Data Space, dat er langzaam wat meer structuur vanuit de overheid komt. En ik ben echt van mening dat we dat nodig hebben. Want er zijn te veel verschillende partijen die allemaal denken dat hun situatie anders is.”
Een idee dat Hans bezighoudt: een gedeeld keurmerk voor gevalideerde productdata, zodat niet elk ziekenhuis apart hoeft te beoordelen of een product in het assortiment mag.
"In de retail is dit al ingevoerd. Het is best lastig. Wij faciliteren dat wel, maar wij zijn niet degene die dat willen beheren. Ik zou eerder denken aan een groep assortimentscoördinatoren die dat samen oppakken, met een partij uit de markt die de data al behoorlijk goed op orde heeft."
"Ik denk dat we meer betrokkenheid van leveranciers nodig hebben, en dat jullie een heel goed leveranciersportfolio hebben. En ik denk dat je ook vooral moet kijken aan de ziekenhuiskant: hoe kan ik het bestelproces efficiënter maken met dezelfde basisdata? Ik denk dat daar de rol ligt: hoe ontsluit je en gebruik je die data in het ziekenhuis beter, zodat er ook echt iets mee gebeurt.”
"Ja, ik denk dat GHX en GS1 op dit punt dezelfde visie delen, een visie die rust op drie pijlers”
Allereerst: één bron: “Productdata moet uit dezelfde bron komen. Daar mag wat mij betreft geen discussie over bestaan. Hoe partijen, zowel afnemers als solution partners zoals GHX, die data openzetten voor de afnemende partijen, dat vind ik een stap die verder gaat dan wat er nu gebeurt.”
Maar volgens Hans zit de echte winst pas verderop in de keten, bij procesautomatisering:
“Als je mij nu vraagt hoeveel ziekenhuizen bezig zijn met elektronische facturen, elektronische orders, elektronische retourberichten: dat is nog heel marginaal. Daar zit de winst, voor ziekenhuizen, maar ook voor leveranciers. Je hoort vaak van leveranciers: ik doe dat omdat het ziekenhuis dat wil, maar het kost veel geld. Nou, flauwekul. Als je goede basisdata hebt waar iedereen op kan vertrouwen, kun je daarna zorgen voor elektronische facturen, pakbonnen, en al het andere. In de geneesmiddelenkant zie je dat al: apotheken controleren een binnenkomende bestelling vaak niet meer, omdat ze weten dat ze op het proces kunnen vertrouwen. Dat moet je ook bij medische hulpmiddelen krijgen.”
En dat kan volgens hem alleen als de data ook behapbaar blijft, oftewel gereguleerd, gevalideerd en gecontroleerd kunnen worden.:
“Er zitten nu zo’n 400.000 GTIN’s in GS1, maar een ziekenhuis heeft doorgaans niet meer dan 30.000 artikelen in zijn actieve assortiment. Het heeft geen zin om al die data zelf te willen bijhouden. Je moet naar een centrale bron die je via een API kunt bevragen, en dan gaat het erom hoe je als ziekenhuis je actieve assortiment op de juiste manier bijwerkt, welke mutaties je doorvoert, en wie verantwoordelijk is voor het valideren daarvan.”
"Dan vind ik dat je als patiënt, maar ook als zorgverlener, blind moet kunnen vertrouwen op de kwaliteit van de data van de producten die je gebruikt. Bij geneesmiddelen doe je dat al. Waarom doen we dat bij hulpmiddelen nog niet?"
Wilt u op de hoogte blijven van het laatste GHX-nieuws?